theoart

Roden K38 2015


sporen in kaart
opening 20 februari 2015


“sporen in kaart”

opening op 20 februari 2015
te Roden

Peter Dijk, Cora Jongsma, Rianne Kooijman, Jolande van Luyk, Rika Post, Fop Smit, Peter de Vis

BEELD: http://www.gerardstout.nl/cultuur-noordenveld/k38-kunstencentrum/

TEKST:
Toen men mij benaderde met het verzoek de tentoonstelling met de titel ‘sporen in kaart’ te openen, schoten mij direct twee namen te binnen: Klein Duimpje en Niels Holgersson. Een spoor nalaten versus vanuit de hoogte naar beneden kijken; ‘in de situatie zijn’ tegenover ‘er op neerkijken’. Een spoor achterlaten en vervolgens het spoor bijster zijn of juist weer op het goede spoor terechtkomen naast het overzicht hebben of bewaren.
Naar later bleek was mijn herinnering aan Klein Duimpje -als het ietwat domme kleinste broertje van een grote familie- dat broodkruimels achterliet om de weg terug te vinden, niet helemaal correct. De eerste keren dat de ouders hun kinderen in het bos achterlieten, had Klein Duimpje juist steentjes gestrooid waardoor ze de weg wél terug hadden weten te vinden. Maar de laatste keer kon hij niet bij de steentjes komen en zodoende liet hij uit nood, van het brood dat ze bij zich hadden, kruimels vallen die netjes door de vogels werden opgepikt, zodat ze uiteindelijk geen spoor achterlieten en verdwaalden. (wellicht: reus/dochters/ kroontjes/zevenmijlslaarsen/geld?).

Kijkend naar de vervuiling en de buitensporige berg rotzooi die de huidige maatschappij achterlaat, heb ik wel eens gedacht dat het mooi zou zijn als elk mens geen sporen na zou laten, spoorloos zou verdwijnen. Dat je je aan het eind van je leven als het ware omdraait, de laatste kruimels opraapt en de deur achter je sluit. [een spoor van broodkruimels als ideaal, Klein Duimpje als moderne held]

Lopend langs de vloedlijn zie ik voetstappen achter mij door de zee uitgewist worden.

De consequentie van dit ideaal is dan wel dat er geen uitvindingen, geen wetenschap, geen kunst en geen kinderen zouden zijn en dus geen mogelijkheid voor de mensheid om zichzelf te leren kennen. Geen mogelijkheid om overzicht en dus inzicht te verkrijgen. Geen gebieden in kaart te brengen. Geen sporen in kaart.
Geen expositie, geen opening.




De mens héeft echter sporen nagelaten en laat nog steeds sporen na. Laatst zag ik –lopend door de stad Groningen- een stoep bezaaid met ronde witte vlekjes die je ook kon voelen als je er over heen liep. De sporen bleken te liggen voor de ingang van een voormalige secretaressenopleiding. Het is niet waarschijnlijk dat de kauwgom op de stoep met opzet –om sporen na te laten- is uitgespuwd. Handelaren die in de middeleeuwen met hun karren sporen trokken in het zand hadden niet de bedoeling dat wij die nu nog zouden kunnen zien.
Bij kunstenaars is er altijd sprake van opzet. Zij verrichten opzettelijk handelingen die sporen nalaten. In allerlei vorm. Ze trekken een lijn met krijt, met potlood, met plakband, met naald en draad; zij brengen verf op, mengen er zand doorheen, wrijven wol tot vilt. En hangen vervolgens hun sporen aan de muur of leggen ze op de grond. Om gezien te worden.

De zeven kunstenaars die hier gezamenlijk exposeren hebben één ding gemeen: ze houden zich nadrukkelijk bezig met sporen, met overblijfselen, zij het elk op zijn eigen wijze en in een spectrum dat ik zou willen omschrijven als ‘tussen Klein Duimpje en Niels Holgersson’.

De uitersten van dit spectrum worden mijnsinziens ingenomen door Peter de Vis en Fop Smit. Ik wil Peter de Vis graag uitroepen tot de Klein Duimpje van deze tentoonstelling (>>). Peter strooit alleen niet achteloos met steentjes maar besteedt aan elk steentje een heleboel werk en laadt ze als het ware op met betekenis, hij geeft ze een verleden. Zijn werken ondergaan een proces dat, net als een landschap of een stad, de tand des tijds verraadt. Het zijn als het ware met de hand gemaakte geschiedenissen. Ze verwijzen niet naar, maar zijn zelf sporen. Zijn rijke en esthetische werken ademen - door de kleuren, texturen en de doorwrochte huid- de sfeer van kostbare kleinoden die gekoesterd willen worden.

Fop Smit, (>>) de Niels Holgersson van deze expositie, laat ons zien hoe de wereld zich -van bovenaf gezien- aan ons voordoet. Uit de titel ‘sporen in kaart’ blijft Fop het dichts bij de kaart en biedt ons heldere overzichten. De vrijheid van het vliegen steekt af tegen de gebondenheid van wat beneden is: overzichtelijke verzamelingen dieren of stukken architectuur.

Ook bij Rianne Kooijman is ‘het vliegen boven’ het centrale gegeven, maar zij heeft er geen behoefte aan die werelden zozeer te scheiden (>>). Het vlak van haar schilderij lijkt samen te vallen met de voorstelling beneden ons. Daardoor kun je ze ook gemakkelijker als kleurrijke abstracties zien. Zowel door kleurvlak, als door lijn en richting kun je op Nederland geïnspireerd werk helder onderscheiden van een schilderij dat boven Australië is ontstaan.

De songlines van de Aboriginals dringen zich hier op. Vocale landkaarten waarin niet alleen plekken zoals bronnen en voedsel worden bezongen maar ook weersomstandigheden en gebruik van de aarde, zodat ze weten welk stuk grond voorlopig even met rust gelaten moet worden. Liederen als ecologisch geheugenlandschap, het bezingen van de eenheid tussen land en mens.

Ik vlieg om de punt van de geribde rots
En nu loop ik, jongen van de vroege ochtend
Om de punt heen
De zwarte berg, dorp in het centrum van de hemel
Loop ik om de punt heen

Aan de andere kant van de aarde hebben de Nazca lijnen van Peru Rianne geïnspireerd tot schilderingen waarin het vlak, de tekening en het landschap een verbond sluiten.

Zover hoef je het trouwens niet te zoeken en –voor mensen met hoogtevrees- je hóeft niet te vliegen. Kaarten waarop de wereld wordt weergegeven, kunnen
-getuige de andere deelnemers aan deze expositie- heel inspirerend werken.
Er zijn heel wat zaken op de kaart gezet en hoe de kaart eruitziet is in de loop van de geschiedenis ook nogal veranderd. Zette Beckeringh nog in de 18e eeuw de provincie Groningen met de hand en aan de hand van zijn voetstappen op de kaart,
de Bosatlas gebruikte in de 20e eeuw veel geavanceerdere technieken en in de huidige uitgave vind je, naast de gebruikelijke landkaarten, ook kaartjes waarop de ‘varkensdichtheid’ in Nederland wordt aangegeven.
Gewoon om de weg te vinden kan Klein Duimpje tegenwoordig ‘de boskabouter’ nemen (>>) en wij zijn inmiddels al lang gewend aan onze ‘tomtom’ en ‘Google Earth’ (>>).
Landkaarten, stedenkaarten, routekaarten, opvouwbare en wasbare kreukelkaarten (>>) we krijgen er toch maar niet genoeg van.
Maar we dwalen af; terug dus naar het in kaart brengen van de tentoonstelling.

Hoewel ik mij enigszins op de hoogte heb gesteld van het proces van vilten, waarbij plukjes wol –in allerlei kleuren en patronen, eventueel gecombineerd met andere stoffen- door vocht en wrijven tot flexibel vilt worden gekneed, wil ik die techniek hier niet verder uiteenzetten om blunders te voorkomen.
Vraag het vooral aan de exposanten! Of bekijk op Youtube een paar zeer instructieve filmpjes over de veelzijdige en kleurrijke techniek van het vilten.

Het Hollandse landschap en de sporen daarin blijken heel inspirerend te werken voor Cora Jongsma en Jolande van Luyck.
De polders, de waterlopen, de raatstructuren zijn zowel visuele als procesgerichte uitgangspunten voor hun intens kleur- en toonrijke wolbewerkingen.

Steeds zie je natuurlijke organische vormen en vlakken doorsneden worden door geometrie wat meteen doet denken aan menselijk ingrijpen. Dat ingrijpen in het landschap blijkt Cora Jongsma’s grootste inspiratiebron te zijn. Het proces van verandering dat een landschap door de eeuwen ondergaat. Zij ziet een analogie tussen de bewerkingen in de tijd van het landschap –vooral polderlandschap- en het proces van het vilten. Hard metaal en rechthoekige vorm tegenover zachte huid, verstenen versus vervilten, kleur en toon, hard én zacht komen mooi tot uiting in Tzummerpolder en –diagonaal daartegenover- de Beekdalserie.

Wetenschappelijk onderzoek in het niet ontgonnen Drents gebied, Balloërveld, heeft kennis opgeleverd over sporen van karren uit vroeger tijden, verdeling van de grond in raatakkers uit de Ijzertijd en over soorten leem en zand. Rond 1500 liep hier de verkeersroute Groningen-Coevorden doorheen, waar men met karren over de akkers en om de grafheuvels heen trok. De richting van de soms één meter diepe sporen wijst richting kerktoren van Rolde, die als oriëntatiepunt werd gebruikt. Als de sporen te diep werden en de assen sleepten over de grond, werd er een nieuw spoor genomen, wat de veelheid aan ribbels verklaart.
Ik vind het prachtig hoe Cora die in het landschap achtergebleven karresporen uit vervlogen tijden in haar vilten Karresporen I en II verwerkt.
In dit gebied werden door de eeuwen heen grotendeels schapen gehouden en was er dus volop wol, de wol die Cora weer tot vilt transformeert. In de kleuren van leem, stuifzand en dekzand.

De beide wandkleden die Jolande van Luyck hier toont hebben een organische, ik zou bijna zeggen amoebeachtige vorm, die uit cellen lijkt te zijn opgebouwd terwijl deze vorm doorkruist wordt door een netwerk van paden of wegen. Ook hier spelen organisch en geometrisch een spannend spel dat versterkt wordt door het gebruik van felle complementaire kleuren. Het materiaal is van een uitnodigende zachtheid die voortkomt uit het gebruik van allerlei stoffen, vilt, weefsels en draden. Samen met de kleine afwisselende blauwtinten geeft dat haar Quilts veelzijdig reliëf. (Qvilts >>)

Rika Post werkt ook met wol en vilt maar zoekt het inhoudelijk meer in de fantasie. Zij tekent, schildert, breit en vilt. Tekenen op huid, breien en haken in de ruimte, het laten ontstaan van vormen die spontaan hun kleur krijgen. En die als nog nooit waargenomen wezens opeens bestaansrecht krijgen. Haar vloerobject ‘laat het schaap schrijven en vertellen’ is gebreid van wol van het eerdergenoemde Balloërschaap. Het niet vlakke glooiende terrein van Drenthe wordt er mooi in naar voren gebracht. Het schaap vertelde me zojuist dat de kleur van de bodem, witachtig is met afwisselend geelachtige tot bruine roestverkleuringen en dat die kleuren daardoor in hun vacht is gekomen. Maar, wie gelooft er nu een schaap?

Onlangs zag ik in een boek over de Islam een foto van Aleppo in Syrië. Wat een prachtige stad is dat ooit geweest. Het is tijdens ons leven, of eigenlijk in een heel klein stukje van onze tijd totaal verwoest.
Peter Dijk is hier vertegenwoordigd met zes werken waarvan twee uit de serie Aleppo Traces. Zowel in deze twee werken als in de andere serie, Jeruzalem Traces, gaat het om uiterst beladen steden in de wereld. Broedplaatsen van geweld en vernietiging. Strijdtonelen. Plekken waar tegenstrijdige ideeënwerelden botsen. Plaatsen waar sporen van spanningen, strijd, macht en overheersing verborgen liggen onder een onschuldige plattegrond. Peter gebruikt vaak oudere (eerdere) schilderijen en geeft ze een tweede leven door nieuwe lagen verf aan te brengen, weg te schuren, lijnen en rasters in sjabloontechniek of met tape te beplakken en weer weg te schilderen. Daardoor ontstaat een rijke structuur in de onderlaag, die hij lijkt te associëren met het ongrijpbare sociale en historische verleden in die steden. Tegelijkertijd zorgen tape en sjabloneren voor een reliëfwerking die een zekere constante factor met eeuwigheidswaarde lijkt uit te drukken.
Het zijn composities waarin richtingen en rasters op een soort chaotische bodem, spannende beelden opleveren.

Dames en heren, Klein Duimpje is aangekomen in zijn zevenmijlslaarzen waaruit de rijkdom van een prachtige expositie, dat mag nog wel even gezegd worden, hier is uigestald. Fijnzinnig bij elkaar geplaatst hangen de werken precies op hun plaats waarbij formaten, huid, textuur maar vooral kleur en sfeer het geheel een tactiele aangename strelende schoonheid geven. Ik wens de kunstenaars veel succes en u, toeschouwers, veel genot en besef dat kunstenaars van de sporen niet kunnen leven maar het van hun werk moeten hebben.

Theo van Egeraat
Groningen
20 februari 2015

© 2017 theoart | Powered By XSL sites links